wedstrijdreglement

De spelregels

Bij een judotoernooi of kampioenschap schrijven zich vele judoka’s in.
Om al deze judoka’s op een eerlijke wijze in te delen wordt rekening gehouden met:
leeftijd
gewicht
geslacht
band/slip

Leeftijd indeling is als volgt:
-8 jaar (6 & 7 jaar)
-10 jaar (8 & 9 jaar)
-12 jaar (10 & 11 jaar)
-15 jaar (12, 13 & 14 jaar)
-17 jaar (15 & 16 jaar)
-20 jaar (17, 18 & 19 jaar)
Senioren (20 jaar en ouder) ​​

Vanaf 12 jaar mag je ook in een hogere leeftijdscategorie meedoen.

Alleen bij de zeer grote toernooien zijn er voldoende judoka’s ingeschreven om in elke gewichtklasse wedstrijden te houden.
In de praktijk is dit niet haalbaar en daarom staat de JBN toe dat gewichtsklassen toegevoegd of weggelaten worden.

Bij de bepaling van de leeftijd van een judoka gaat de JBN niet uit van de werkelijke leeftijd van de judoka, maar van de leeftijd die de judoka heeft aan het einde van het lopende kalenderjaar. Gedurende het hele kalenderjaar blijft de gewichtklasse van de judoka daardoor gelijk.
De JBN heeft geen specifieke indeling voor de judoband (slip).

Een judo partij speelt zich af op een vierkante wedstrijdmat (tatami).
Deze tatami is opgebouwd uit een wedstrijdgedeelte (zie op de afbeelding hieronder het groene gedeelte) met daaromheen een veiligheidsstrook, ook wel valrand genoemd (zie op de afbeelding hieronder het rode gedeelte).
​De maten verschillen. Bij de jeugd is het wedstrijdgedeelte vaak 5×5 meter, terwijl bij de senioren een minimale maat van 8×8 meter verplicht is.
Een wedstrijd wordt geleid door een hoofdscheidsrechter (staand op de mat) en twee hulpscheidsrechters (op een stoel op de hoeken van de mat).
Bij kleinere jeugd-toernooien is er meestal alleen een hoofdscheidsrechter.
Vanaf 2013 staat er bij de grotere toernooien 1 scheidsrechter op de mat en zitten er twee achter de jurytafel die videobeelden kunnen terugkijken.
​​
Hoe moet je de judomat oplopen bij een toernooien of kampioenschappen:
​Je loopt naar de midden van de rode mat aan de buitenkant.
Je groet je tegenstaander aan de rode mat aan de buitenkant.
​Daarna wijs de scheidsrechter met zijn handen aan de binnenkant van de judomat.
En beide judoka’s lopen naar de lijn (wit of rood/blauw) aan de binnenkant van de judomat.
Beide judoka’s groeten elkaar weer aan.
Daarna zeg de scheidsrechter haijme, en de partij mag binnen.

Hoe moet je de judomat aflopen bij een toernooien of kampioenschappen:
​Beide judoka’s gaan staan bij hun eigen lijn (wit of rood/blauw) aan de binnenkant van de judomat.
De scheidsrechter wijs naar de winnaar.
​De twee judoka’s groeten af voor elkaar en mogen elkaar een handtje geven.
Beide judoka’s lopen achteruit naar de rode mat aan de buitenkant.
Daar groeten beide judoka’s weer af voor elkaar.
Daarna mogen ze de judomat verlaten aan de kant die ze hebben gejudoét.

Bij de judo kan je op 4 verschillende manieren winnen:
IPPON = 10 punten (einde wedstrijd)
WAZA-ARI = 7 punten
SHIDO = Is een strafpunt . Bij 3x shido heb je verloren

Je tegenstander te werpen (b.v. met een heup, schouder- of beenworp)
als je je tegenstaander in volle vaart plat op zijn rug gooit, is het een ippon en meteen afgelopen.
als hij net niet vol op/langzaam op zijn rug komt is het een waza-ari (2x een waza-ari is ook een ippon).
als hij op zijn zij terecht komt is het een yuko.

2. Je tegenstander in een houdgreep (OSEA-KOMI) te houden (een greep waarbij je je tegenstaander met beide schouders op de mat drukt).
duurt de houdgreep 20 seconden is het ippon (en afgelopen)
duurt de houdgreep 15 seconden is het een waza-ari.
duurt de houdgreep 10 seconden is het een yuko.

3. Je tegenstander in een armklem of verwurging nemen en zo dwingen tot opgave (vanaf resp. 15 en 12 jaar) als hij opgeeft (aftikt) is het ippon en dus afgelopen.

4. In de golden score, verliest degene die het eerst een shido krijgt.

Voorbeelden van overtredingen die leiden tot een Shido:
passief judoen
schijnaanval maken
vingers van de ander naar achteren buigen om greep te verbreken.
achteruit van de mat aflopen

Voorbeelden van overtredingen die leiden tot een hansoku-make:
Een tegenstaander die op de mat ligt optillen, om hem daarna weer op de mat te werpen.
Tijdens de wedstrijd onnodig roepen, opmerkingen of gebaren maken, met de bedoeling de tegenstaander of de scheidsrechter te kleineren.
Met het hoofd naar de mat ‘duiken’ als je een heupworp inzet (zo kan je jezelf ernstig verwonden).
Een handeling verrichten die de tengenstaander kan verwonden aan de hals- of nekwervels of handelingen die in strijd kan zijn met de geest van de judosport.